Gedachten van een gelukszoeker

In oktober 2015 won Marensa van Oosten, eigenaar van D-Write One, de schrijversprijs die ervoor zorgde dat het idee voor het tekstbureau begon te groeien. De prijs werd uitgereikt door de commissaris van de koning in De Nieuwe Bibliotheek Almere. Niet eerder hebben wij het winnende verhaal gepubliceerd, maar dit gaan we nu wel doen.

 

De opdracht

De opdracht was als volgt:

Al heel lang trekken migranten om verschillende redenen naar Nederland en andere Europese landen. Maar met migreren alleen ben je er niet. Zonder integratie is een succesvolle migratie niet mogelijk. Wat is uw idee over Europese migratie en integratie? Schrijf het ons in de vorm van een kort verhaal van maximaal 1.500 – 2.000 woorden.

 

Het schrijven van een stuk over hoe de maatschappij tegen migratie en integratie aankijkt lag met deze opdracht voor de hand, maar Marensa koos ervoor om het verhaal vorm te geven vanuit de gedachten van een vluchteling. Een andere benadering, achteraf de winnende benadering. Nu, ruim anderhalf jaar later, zijn we klaar om het winnende verhaal te delen. We hopen dat het verhaal ook jou kan raken!

 

Gedachten van een gelukszoeker

 

Ik heb gerend, gevochten, gehuild en geschreeuwd. Het voelt als levend dood zijn. Een leegte om me heen, een nog grotere leegte in mij, en de leegte groeit. Wekenlang heb ik mij verscholen, steeds op andere plekken, in plaatsen die ik niet kende. Ik zag mensen, die met ons vluchtten, die op ons joegen. Mensen; ze betekenen niets meer, omdat ik niets meer beteken..

Te lang zocht ik naar een veilige plek en ik vond een man die mij hulp bood. Het kostte mij bijna een jaarsalaris, maar met dat geld zou hij mij, mijn vrouw en drie kinderen in veiligheid brengen. Veilig, hier ver vandaan. Een nieuwe toekomst, vrede, rust. Ik schraapte mijn geld bij elkaar, leende bij enkele familieleden die nog in leven zijn, of dit in elk geval toen nog waren, en, ja, ik stal. De man nam het geld van mij aan en droeg mij op om mij een dag later, bij zonsondergang, te melden op dezelfde locatie. Mijn vrouw maakte vijf tasjes van een oud laken en stopte hier wat eten en water in.

Het busje was te vol, maar het reed weg naar een betere toekomst. Tenminste, dat dacht ik. Mijn vrouw en ik zaten achterin het busje, op de grond, met onze drie kinderen op schoot. Het was donker, benauwd en we hebben meerdere malen schoten gehoord, maar we kwamen veilig aan bij het houten bootje dat al dobberend op ons lag te wachten. Een oud bootje, zonder reddingsvesten, zonder dak of beschutting, zonder interieur. De randen van de boot waren voorzien van smalle planken en de kleinste kinderen, waaronder dertien baby’s, moesten onder de planken worden geschoven om voldoende ruimte voor iedereen te creëren. De chauffeur van de bus, de man aan wie ik al mijn geld gegeven had, reed terug. Wij dobberden steeds verder weg, en eigenlijk wisten we niet waarheen.

De eerste nacht was zwaar. De zee was onrustig en drie jonge kinderen werden door een hoge golf van de boot gespoeld. Ik probeerde mij om te draaien om de hand van het 6-jarige jongetje vast te pakken, maar ik zat klem tussen een mijn vrouw en twee andere kinderen. Het laatst wat ik zag was een uitgestrekt handje dat in de duisternis van de zee verdween. Wat achterbleef was een schreeuwende en biddende vrouw en een hopeloze man met lege ogen..

Tijdens onze reis verloren we 16 mensen, waaronder 9 kinderen. Eindelijk, eindelijk zagen we land. We zagen lichtjes. We hoorden enkel het ruisen van de zee. Geen bommen, geen schoten, geen vliegtuigen.. Eén man sprong op, begin te schreeuwen en te wuiven met zijn jas. Een tweede man volgde en ook een vrouw stond op. De wat grotere kinderen schoven over de vloer van de boot om zich naar de rand te trekken. Een oude man tikte met een stok tegen de rand van de boot en waarschuwde dat iedereen stil moest blijven zitten. We waren er nog niet. De kust was nog te ver weg. Maar ze wilden niet luisteren. Steeds meer mensen stonden op en begonnen te joelen en te wuiven. Ons bootje sloeg om.

Ik voelde de zee aan mijn voeten trekken en greep wild om mij heen. Ik weet niet wat ik dacht. Misschien dacht ik helemaal niets. Misschien dacht ik aan hoe ik mijn gezin moest redden. Misschien dacht ik enkel aan wat ik zonder hen zou moeten. Ik weet het niet. Ik graaide en spartelde, maar voelde niets. Ik worstelde om adem te kunnen halen, en eindelijk kwam ik boven water. Stilte. Het bootje lag ondersteboven, half verscholen tussen de golven. In de duisternis zag ik een stukje laken bij het bootje. Ik zwom zo hard ik kon, maar ik kan niet goed zwemmen. Het leek uren te duren voor ik er was. Ik pakte het stukje laken en trok er hard aan. Mijn jongste zoon, Isiah, hing levenloos aan het andere eind van het laken. Zijn moeder had één kant van het tasje, gemaakt van het laken, aan zijn broek geknoopt. Het andere eind was aan het bootje blijven haken. Ik deed wat ik kon om mijn 3-jarige zoon te redden.

De lichten verblindden mij en de tranen vertroebelden mijn beeld. Een grotere boot kwam op mij af en voor ik het wist lagen Isiah en ik op een groot dek. Nog één andere man werd aan boord gesjouwd en bij ons neergelegd. Alle andere lichamen die uit het water werden gehaald werden naar de andere zijde van de boot gebracht, denk ik. Wij konden ze niet zien. Ik wist het. Mijn vrouw, mijn oudste zoon en mijn dochter hadden deze nacht voor het laatst de sterren gezien.

Langzaam werd het licht en we naderden de kust. Ik hield Isiah warm met mijn eigen lichaam en wat dikke dekens. Ik drukte hem strak tegen mij aan toen wij van boord konden. Een grote menigte wachtte ons op. Boze gezichten achter de hekken, vriendelijke gezichten voor het ijzer. We kregen warm eten, een bed om uit te rusten. Ik sliep niet, maar luisterde naar de schreeuwende massa buiten. Is dit nu vrede?

Het duurde weken voordat ik naar buiten durfde. De schreeuwende massa was allang verdwenen, maar het afval dat de boze menigte gooide lag er nog. Het duurde nog langer voor ik mijn zoontje achter durfde te laten op een school. Hij was alles wat ik had, hij is alles wat ik nog heb. Het heeft het langst geduurd voor ik begreep wat de massa naar ons riep op de ochtend dat wij aan land kwamen. Zij noemden ons ‘smerige gelukszoekers’. Ik begreep het niet. Ik begrijp het nog steeds niet.. Alles wat ik wilde was rust, vrede, voor mij en mijn gezin. Geluk? Mijn geluk is verloren gegaan in zee, in de nacht voordat wij vrede bereikt hadden, in de nacht voordat ik besefte dat vrede nergens ter wereld nog bestaat.